ajax loader

Op zaterdagmiddag 3 augustus sprak ik Jan Kroese, die op dat moment suppoostendienst draaide in de Visafslag. Omdat ik onaangekondigd voor zijn neus stond, was het mooi om onverwachts in gesprek te komen en te luisteren naar zijn verhaal. Als de lijnen van een visnet ontsponnen zich de verhaaldraden van knoopje naar knoopje, waardoor alle mazen bij elkaar een mooi geheel werden, en de verhaaldraad van het begin mooi aansloot op het einde. Veel dank voor je verhaal, Jan!

‘Ik ben nu zo’n jaar of 15 suppoost, je rolt er zo in. Van de suppoosten die hier lopen, zijn er maar enkelen die uit vissersfamilies komen. Mijn opa (van vaders kant) was Jan aan ’t Goor (getrouwd met Aartje Goosensen). Hij was ‘hoeker’ (hoekwantvisser) op de EB1. Wij mochten nooit bij opa aan boord komen, want zo zei hij: ‘Die boot is niet voor plezier, maar om geld mee te verdienen.’

Mijn oom was Jan van Triest. Hij was de laatste afslager hier aan de Visafslag en werkte samen met mijn andere oom, Hannes aan ’t Goor, die directeur-keurmeester was. De zoon van Jan van Triest – mijn neef die ook Jan van Triest heet – was ook mijn vriend. Toen de Visafslag nog aan de overkant stond, kwamen wij samen veel aan de afslag om even verderop kleine aaltjes (ondermaatse paling) te zoeken die op de hoop met bijvangst waren beland.

Elke dag konden we wel vis krijgen van opa, want hoekers konden nog redelijk goed de kost verdienen. Zij vingen dikkere palingen dan de kuilvissers en werden dus beter betaald. Voordeel van de hoekwantvisserij was dat de vissers ’s nachts gewoon thuis waren.

Mijn andere opa (van moeders kant) was stadsboer en tuinder. Voor de oorlog had hij zo’n twintig melkkoeien met een grote tuinderij erbij. Hij had een stadsboerderij aan de Beekstraat (naast Rosas). Omdat deze opa een vermogend man was, had hij eigen landerijen voor zijn vee. Het Goor was meer voor de keuterboertjes die maar een handjevol koeien hadden. Opa’s eigen landerijen waren aan beide kanten van Elburg: in de Meent en bij de Nieuwstad. Hij was een ‘vergaderboer’ die zelf niet veel hoefde te werken, maar arbeiders in dienst had. Daarnaast was hij ook tuinder, maar geen veilingtuinder. De arbeiders die bij hem in dienst waren, ventten voor hem op de markten buiten Elburg, zoals in Nunspeet, Apeldoorn, Epe en Zwolle.

Opa was gereformeerd, maar dan van het liberale soort. Van huis uit was de familie Kroese hervormd. Zijn vrouw kwam onder Nunspeet vandaan: haar naam was Elizabeth van den Bosch. Zij was een rijke boerendochter die bij de molen woonde en gereformeerd was. Het standsverschil tussen de vissers en de boeren was toentertijd heel groot. Maar toen ze moesten trouwen, werd opa gereformeerd. Ze hadden ze een goed huwelijk.

Zelf ben ik bloemenkweker geworden. Mijn vader (Hendrik Kroese) had nog twee broers, die veehouders waren met een boerderij in de stad. Vader was groenteboer tot begin jaren ’60. Daarna heeft hij kassen laten bouwen. Toen ik van de middelbare tuinbouwschool kwam, ben ik bij mijn broer Albert en vader in het bedrijf gestapt. Mijn vader werkte ook niet zo veel, maar had wel veel sociale verplichtingen: hij was organist in de kerk, zat in de politiek en het verenigingsleven. Hij was wethouder en zat in veel besturen. Ook was hij lid van de provinciale staten en lid van de CBTB.

Ik zal zo’n 18 jaar geweest zijn, toen de Boerenpartij in opkomst was. Ik was wel in politiek ge├»nteresseerd. Minister Barend Biesheuvel (AR) was toentertijd landelijke secretaris van de CBTB en kwam wel bij ons thuis over de vloer. Ik vertelde hem eens dat ik naar de vergadering was geweest van de Boerenpartij in Doornspijk, waarop hij kwaad werd, en zei: ‘Jan, ik wil niet meer hebben dat je daar heen gaat!’ Volgens hem hoorde ik als AR-man niet bij de Boerenpartij te komen. De verzuiling was toen wel heel erg. Tegenwoordig kun je je dat niet meer voorstellen.

Als gereformeerde jongen heb ik wel gehoord hoe toentertijd ds. Bakker vanaf de kansel een stemadvies gaf. Ook was er sterke sociale controle vanuit de kerk, want als je twee zondagen achtereen niet was geweest, nam ds. Bakker contact met je op. Ik had als adolescent nog geen belijdenis gedaan, maar ik moest in dienst, dus kon ik de catechisaties niet meer volgen. De dominee heeft toen speciaal voor mij geregeld dat ik eenmaal in de veertien dagen op zaterdagsavond bij hem thuis de catechisaties kon inhalen … Dat was een leerzame tijd!

Na mijn middelbareschooltijd ging ik naar de tuinbouwschool in Vleuten, achter Utrecht. Ik ging er met de trein naartoe. Maar thuis moest ’s morgens vroeg alle bladgroente voor 07.00 uur geoogst worden. Ondanks mijn studie moest ik dus meehelpen met oogsten, voordat ik vanuit ’t Harde met de trein naar school kon. Dat waren lange dagen. Ik bleef ’s middags weleens wat langer weg, anders kon ik na schooltijd weer aan de bak …

Mijn ouders zijn Hendrik Kroese en Grietje aan ’t Goor. De familie Kroese kwamen oorspronkelijk uit Frankrijk. Zij waren hugenoten en vervolgd vanwege hun protestantse geloof. De Kroeses zijn vanuit Frankrijk in de buurt van Hattem verzeild geraakt. De naam Kroese schrijf je rondom Hattem met een z.

Mijn vader (Hendrik Kroese) heeft zijn grond verkocht, omdat ik het bedrijf van mijn vader niet wilde overnemen. We hadden thuis een tuincentrum, maar dat hebben we dus afgestoten. Omdat ik het vak Bloementeelt op de middelbare tuinbouwschool heel leuk vond, wilde ik liever daarmee verder. Zelf ben ik veilingkweker geweest: niet via de klok, maar via bemiddeling. Ik was lid van de veiling, en de veiling bemiddelde: de veiling zocht en koppelde kwekers aan kopers en vice versa. Zo bleef ik zelf baas over de prijs, in tegenstelling tot de vissers van toen, die hun vis via de afslag verkochten aan de venters voor een prijs die zij niet zelf bepaalden. Tot zo’n 15 jaar geleden heb ik dat gedaan.’