ajax loader

image05207aVóór de afsluiting van de Zuiderzee (in 1932) visten de Elburgers hoofdzakelijk op bot, aal, garnalen, haring en spiering. Haring werd vrijwel uitsluitend met trekkend want gevangen. De netten werden tussen twee schuiten in voortgetrokken. Slechts enkele Elburgers hadden een beug met staande netten. De botvisserij werd op drie manieren uitgeoefend: met staande zijden botnetten (ziënnetten), botsleepnetten en bothoekwant. Op aal werd door de Elburgers eveneens op drie manieren gevist. Dit gebeurde met aalkubben (palingkorfjes), met het hoekwant (katoenen lijnen met haken) en met de dwarskuil. Daarnaast werd er door enkele walvissertjes met fuiken en aaldobbers op paling gevist. Voor de vangst op garnalen werd de dwarskuil gebruikt. ’s Winters werd er voornamelijk op spiering gevist. Wanneer de zee open was viste men met twee schuiten (in span) met de spieringdrijfnetten. Was de zee dichtgevroren, dan werd er onder het ijs op spiering gevist. Dit gebeurde met staande netten en met zogenaamde floddernetten. De visserij op ansjovis had in Elburg weinig betekenis. Na de afsluiting van de Zuiderzee kwam er een einde aan de visserij op haring, ansjovis, bot en garnalen. De visserij op paling en snoekbaars was toen het belangrijkst.