ajax loader

De visserij op aal duurde meestal van april tot november. Er werd door de Elburgers op verschillende manieren op aal ge­vist, namelijk met kubben, hoekwant en de dwarskuil. Daar­naast werd er op bescheiden schaal met aaldobbers en fuiken gevist. De kubbenvisserij werd tot omstreeks 1930 beoefend. Rondom het jaar 1900 bezat meer dan de helft van de Elburger vloot aal­kubben. De van wilgentenen, klokvormig gevlochten korfjes (ongeveer 55 cm. hoog) werden met veldkeitjes verzwaard en meestal met spiering of garnalen geaasd. Daarna hing men ze met een touw aan lange staken vlak boven de bodem in zee. Een gemiddelde beug bestond uit 100 tot 120 kubben.

mandenmakerij-1910

Bij de mandenmakerij (1910) werden kubben gemaakt voor de palingvangst.

Bij de kubbenvisserij moet onderscheid gemaakt worden tussen “walkubbers” en “buitenkubbers”. De walkubbers zetten hun kubben in rijen kort bij de wal in ondiep water. De buiten­kubbers visten gewoonlijk op het open (diepe) water. De korven werden ruim zestig meter uit elkaar gezet in een lange rij. Bij deze visserij was een kubbeboot en een zogenaamde bijlegger (derde man) noodzakelijk. Aan het eind van de twintiger jaren raakte de kubbenvisserij geleidelijk in verval. De tegenvallende resultaten en de toenemende betekenis van de dwarskuilvisserij waren hiervan de voornaamste oorzaak.

De hoekwantvisserij was in Elburg niet zonder betekenis. Bij deze vorm van visserij was een grote mate van vingervlugheid en handigheid vereist. De hoekwantvisserij heeft zich pas in de 19e eeuw ontwikkeld. Een van de gangmakers in Elburg was Hannes aan ‘t Goor (1850-1927). Het hoekwant bestond uit een lange katoenen lijn waaraan om de twee á drie vaam (een vaam = 180 cm.) een snoer van ongeveer 60 cm. en een haakje was bevestigd. Vaak werd er met spiering geaasd, maar ook wel met garnalen en wormen. Bekende Elburger ”hoe­kers” waren de Aan ‘t Goors en de Jansens.

De dwarskuilvisserij schijnt al vanaf de zestiende eeuw op de Zuiderzee te zijn uitgeoefend. In Elburg kwam deze vorm van visserij pas goed vanaf het begin van de twintigste eeuw tot ontwikkeling. De dwarskuil was een trechtervormig net dat door de schuit ”dwarsweg” over de bodem van de zee werd gesleept. De kuilvisserij was een typische nachtvisserij.

Met de zogenaamde aaldobbers werd slechts door enkele Elburgers (EB 12 en EB 45) gevist. Een dobber bestond uit een stukje drijfhout waar aan de ene kant een snoer met een haakje zat en aan de andere kant een snoer met een steen was beves­tigd. Het haakje werd meestal met wormen geaasd, hoewel er ook wel spiering aan werd gedaan. Meestal werden de dobbers aan rijen dicht bij de kustlijn uitgeschoten. Door enkele zogenaamde walvissers werd er met kleine fuiken op aal gevist, maar deze visserij had in Elburg weinig beteke­nis. Pas na de inpoldering van Oostelijk-Flevoland (1956) visten enkele bedrijfjes hoofdzakelijk met fuiken op paling.