ajax loader

15Eigenaardig is dat de visserij in de 18e eeuw nauwelijks betekenis had. Bij de beroepentelling in 1749 bleek dat er in Elburg slechts drie vissers waren. Pas aan het eind van de 18e eeuw nam de betekenis van de visserij geleidelijk toe. In de Franse tijd (rondom 1800) namen de Elburgers zelfs in beschei­den mate deel aan de Noordzeevisserij. In 1798 bestond de vloot uit acht “Noordzeesche- en tien binnenvisschuiten”. In hetzelfde jaar werd het vissersgilde opgeheven. Op dat moment waren 21 vissers aangesloten bij het gilde. De voortdurende oorlog met Engeland in de Franse tijd bemoeilijkte de Noordzee­visserij voor de Elburgers. Zeker is dat omstreeks 1840 aan de visserij op de Noordzee voorgoed een einde is gekomen.

In de tweede helft van de 19e eeuw nam de betekenis van de Zuiderzeevisserij toe. Telde de vloot in 1858 slechts 19 vaartuigen, in 1895 was dit aantal opgelopen tot 51. Daarnaast waren er in 1858 drie bokking- en palingrokerijen. In 1889 werd de visserij “een middel van bestaan voor vele inwoners der gemeente” genoemd. In hetzelfde rapport wordt echter geconstateerd dat in Elburg “maar een gering aantal vissers in goeden doen verkeerde en een groot gedeelte behoef­tig was.”